Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.      Sluiten
 

Gasfabriek

Volgende » « Vorige ^ Terug naar het Overzicht
De gasfabriek vanaf de Wierdijk
De gasfabriek vanaf de Wierdijk
In de Enkhuizer Courant van 9 oktober 1899 verscheen een berichtje dat op de Staatsbegroting voor dat jaar door de Minister van Marine gelden werden gevraagd voor het bouwen van een gasfabriek nodig voor de zich steeds uitbreidende verlichting van gas- of lichtboeien op de Zuiderzee. De minister achtte het echter nodig om ook in Enkhuizen een gasfabriek op te richten. De benodigde gelden werden hem toegestaan en de procedure tot oprichting kon beginnen.

Ondanks twee bezwaarschriften (van de directeur van de particuliere gasfabriek aan de Noorder Havendijk en P.J. Koopen), die allebei afgewezen werden, kon de bouw van de fabriek aan de Bierkade en het Kleine Plantsoen beginnen.

In de Enkhuizer Courant van 9 juli 1899 lezen we dat er tien gegadigden waren. Vier inschrijvingen kwamen van Enkhuizer aannemers. C. Liefhebber, W. Hart en R. Kramer, in combinatie, J. West, H. van Doornik en J. Zwaan, ook een combinatie, en tenslotte J. van Marle samen met Th. van Dam. De andere aannemers kwamen uit Bolsward, Waddinxveen, Alkmaar, Amsterdam, Purmerend en Harlingen.
Geen van hen zou de opdracht krijgen, want eind juli vermeldde de krant dat de ‘werkzaamheden tot het bouwen van een oliegasfabriek’ waren opgedragen aan de Haarlemmer M.van Ommeren.


De bouw vorderde snel: 7 juli 1899 de aanbesteding en op 19 mei 1900 reeds in werking. Nu het gebouw gereed was, werd de bouwkundige van het Loodswezen teruggeroepen. De machines waren beproefd en naar behoren opgeleverd. Wel zou elk jaar door de Rijksstoomvaartdienst een inspectie worden gehouden op de werktuigen in de fabriek. Dat zou ook gelden voor het gastransportschip.
Toen dan tenslotte de fabriek gereed was en omheind met een hekwerk van 2,50 meter hoog was de omliggende grond door de bouwactiviteiten er niet beter op geworden. De raad besloot een bedrag uit te trekken van ƒ 241 om de grond weer in een toonbare staat te brengen.

Hoe werden de boeien nu van gas voorzien voordat de fabriek er stond? In Hoek van Holland stond een fabriek voor de aanmaak van gas voor boeien voor zowel de zuidelijke als de noordelijke zeegaten, de Zuiderzee inbegrepen. Voor de noordelijke zeegaten en de Zuiderzee moest dus het gas aangevoerd worden. Daarvoor had men een gastransportschip in de vaart en dat had Enkhuizen niet. Wel weten we dat er in Harlingen een gasboot lag, mogelijk heeft dit schip als voorraadschip voor het noordelijk deel gefungeerd. Zekerheid is er echter niet. Toen eenmaal de Enkhuizer fabriek in werking was, kwam het schip uit Harlingen naar Enkhuizen.

In 1928 kwam dan tenslotte het einde van de gasfabriek. Het gebouw werd eigendom van de Dienst der Domeinen. In de jaren 1928-1939 werd het pand gebruikt door de Firma Hugo Groot Zaadhandel aan de Dijk. In 1939 werd Enkhuizen tot garnizoenstad aangewezen en diende het als opslagplaats voor munitie. Een functie die het door Duitse bezetting vanaf 1940 tot 1945 zou behouden. Na 1945 werd het door het Ministerie van Defensie ontruimd. In de tweede helft van de jaren veertig werd het als opslagplaats gebruikt voor objecten van het nog te realiseren Zuiderzeemuseum. In 1941 werd een deel van het Kleine Plantsoen door de gemeente verkocht aan de firma Boon. Later zou op het terrein een houtzagerij van Boons Grafkistenfabriek werd gevestigd. Dat heeft achteraf, na de oorlog, nogal wat strubbelingen opgeleverd bij een wethoudersbenoeming.

In 1951 kocht de smid Jan de Bruin sr. het pand. Toen in 1951 er een nieuw riool aangelegd moest worden in de straat, werd de erfpacht opgezegd. De Bruin kon zijn grote constructies niet meer op straat maken en moest dus omzien naar een andere locatie. Later zou zoon Joop de Bruin hier het Enkhuizer Constructiebedrijf vestigen. Door opeenvolgende grondaankopen kon deze zijn bedrijf steeds uitbreiden. Doch tenslotte waren de ontplooiingmogelijkheden uitgeput en speelde de slechte bereikbaarheid voor grote vrachtwagens met oplegger de ondernemer parten. Het bedrijf werd in 2002 naar de Schepenwijk verplaatst waar het onderdak vond in een geheel nieuw bedrijfspand.

In mei 2002 begon de sloop van de fabriek, waarna in 2003 sanering van de grond begon. Er werden teerputten aangetroffen, die in de loop van dat jaar zijn geruimd. Men ging diep, zeer diep, zelfs tot zo’n 8 meter. De erfenis uit het verleden werd per schuit afgevoerd.



Volg ons via RSS
Volg ons op Twitter
Volg ons op Facebook
Volg ons op Youtube